Column for http://www.cip.nl

In de jaren ’60 werd God, in navolging van Nietzsche, dood verklaard door theologen als John Robinson. God is er niet meer. God is grote afwezige. Dat was een enorme breuk met het verleden. Christelijke theologie heeft altijd benadrukt dat God niet alleen bestaat maar aanwezig is. Zonder Gods aanwezigheid zou de wereld niet bestaan. God heeft de wereld niet alleen geschapen, maar onderhoudt de wereld. In dit onderhouden is God aanwezig. God is alomtegenwoordig. Dat wil zeggen dat er geen plaats is waar God niet is. Het hele universum is doortrokken van zijn aanwezigheid.

 

Dat is mooi, maar waar was God in Auschwitz? Is er nog theologie mogelijk in het licht—of beter in de schaduw—van Gods afwezigheid? Wat valt er nog te zeggen over God bij de ongeremde maalmolen van de nazimoordmachine? God greep niet in toen zes miljoen joden afgeslacht werden. De secularisatie van onze Westerse maatschappij heeft, vergezeld van de gigantische technologische vooruitgang van de afgelopen 200 jaar, maar weinig ruimte voor God over gelaten. God hoort bij het religieuze, het mythische, het fantasierijke van de persoonlijke sfeer. Er is geen plaats meer voor een publiek geloof dat meebouwt aan de samenleving van de toekomst. Zonder God draait de boel op rolletjes.

 

We kunnen ook kijken naar het ondraaglijk lijden in de persoonlijke levens van anderen en onszelf. Er is leed. Er is geen antwoord. De lucht is van koper. De vraag keert als vervagende smalende echo terug. Verder is het stil. De dagen, maanden, en jaren rijgen zich aaneen. Ondanks de belijdenis van Gods aanwezigheid in ons leven, is God vaak akelig afwezig. We worden in de woestijn geleid, waar we ternauwernood de dood ontsnappen en op onszelf terug worden geworpen. Daar hebben we de existentiële confrontatie met het grote niets van onvervulde beloften, uitgestelde verlossing, lijden ad infinitum. God is afwezig. Als dat niet zo was was er niet de confrontatie met het niets.

 

Het vreemde is echter dat dit niets tastbaar is. Het is weerbarstig, het weerstaat ons, geeft tegengas. Het niets is een soort aanwezigheid die ons dwingt tot een stellingname. Of we grijpen terug op de belofte en dwingen onszelf te wachten op Gods komst, óf we keren de afwezige God de rug toe in verbittering en vertwijfeling. Dat niets, die tastbare afwezigheid van God, is eigenlijk zelf een aanwezigheid. De leegte van het vooruitzicht van zinloosheid is tegelijk de aanwezigheid van iets dat vooruit wijst. De afwezige Ander herinnert ons aan de belofte van verandering. Wij moeten kiezen. De afwezigheid is tegelijkertijd een aanwezigheid. In zijn afwezigheid is God aanwezigheid.

 

Dit is niet een goedkope dooddoener, want de ervaring van afwezigheid is voor velen een onoverkomelijk obstakel. De vragen worden er niet minder om. De woestijn is niet minder verzengend. Veel lijden blijft in dit leven het karakter dragen van zinloosheid. De succesvolle verbanning van God uit onze samenleving roept vragen op. Het onuitsprekelijk niet aflatend geweld en de immense uitbuiting en onderdrukking van miljoenen in de 20ste eeuw is nog steeds geen halt toegeroepen.

 

Waar is God? vragen we. De christen zegt het minder triomfantelijk maar niet met minder overtuiging: God is aanwezig. Het gebogen hoofd van de mens die lijdt, schreeuwt het uit: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? In dat lijden weet hij dat God in Gods afwezigheid aanwezig is.

Advertisements