Column for http://www.cip.nl

Het artikel over Bart Repko’s boek “Kom niet aan de hel” op cip.nl heeft de gemoederen behoorlijk beroerd. Reacties voor en tegen rollen over elkaar heen. De hel breekt los over een plaats die te vreselijk is om aan te denken maar voor velen toch een heilig huisje is. Vreemd. Bart Repko maakt toch duidelijk dat hij geen universalist is; hij gelooft gewoon dat het een minderheid zal zijn die God uiteindelijk de rug blijft toekeren. Dat is alles. En het mooie van Bart is, zo krijg ik de indruk, dat hij zich gewoon bijbels blijft oriënteren. Er is op basis van dezelfde gegevens waarmee de hel hand en tand verdedigt wordt, een nieuwe blik ontstaan die hoop biedt. Een hoop die goed past bij het goede nieuws van het evangelie. Dat Repko tot die conclusie komt, omdat hij niet gelooft dat niet-messiaanse joden verloren gaan, vind ik wat mager. Ik kijk liever naar de hele mensheid.

 

Maar goed, kunnen we even de verhitte gevoelens plaats laten maken voor een nuchtere evaluatie over ons geloof in de hel? Ik laat Repko verder achter me want ik heb z’n boek niet gelezen, maar dat hete hangijzer van de hel moeten we even nader bekijken. Wij kijken eerst naar evangelischen en theologie in het algemeen en vervolgens naar het specifieke leerstuk van de hel.

 

Evangelischen en theologie

Evangelischen hebben er het handje van om te denken dat de betekenis van de Schrift direct toegankelijk is. “Het staat er toch?” “De Bijbel leert dit of dat onomwonden.” “Je gaat hier duidelijk tegen de Schrift in.” Zo klinkt het vaak. Veel evangelischen benaderen de Bijbel met een naïeve interpretatieleer die van de Bijbel directe antwoorden verwacht, er van uitgaat dat de Bijbel niet ambivalent is en dus concrete absolute antwoorden biedt voor vandaag. Wat er natuurlijk in werkelijkheid gebeurt, is dat de lezer een vooraf gevormd idee over de betekenis inleest in de tekst. De tekst lijkt een bepaalde betekenis te bieden, maar die betekenis is meer een aanpassing van die tekst aan vraag en wereldbeeld van de lezer. Evangelischen ontkennen dat ze aan inlegkunde doen, maar iedereen die leest, doet aan inlegkunde. Het is onvermijdelijk.

 

Van interpretatieleer gaan we naar theologie. Veel evangelischen denken dat theologie overbodig is, omdat ze de Bijbel gewoon ‘op zijn woord nemen’. Maar deze houding, dit standpunt, is reeds een theologische beslissing. Theologie als conceptuele meningsvorming gaat altijd vooraf aan het lezen en is constant in dialoog met de tekst. Theologie is dan ook nimmer eenvoudig het napraten van de Schrift, maar altijd een constructie van het menselijk denken in respons op het Woord van God. Theologie is feilbaar. Onze reddingsleer, verzoeningsleer, godsleer, etc. zijn alle feilbaar, want menselijk.

 

Theologie is dus menselijke intuïtie in dialoog met godsopenbaring. Wanneer nu deze menselijk intuïtie versteent tot dogma en als absoluut wordt gezien, zijn we bezig met onze theologie te verheffen tot openbaring. Dan verafgoden wij onze eigen theologische constructies en sluiten we onszelf af voor de stem van God die altijd nieuw is en altijd uitdaagt. Evangelischen moeten hiervoor oppassen, omdat ze soms niet doorhebben dat theologie niet hetzelfde is als openbaring. Een gevaar voor de evangelische beweging is modernistische overdeterminatie. Daarmee bedoel ik dat men meer ‘weet’ dan men kan weten. Bijvoorbeeld hoe de hel eruit ziet, hoe lang het duurt, wat het betekent dat je naam geschreven is in het boek des levens. Maar ook de bepaling wat redding precies is: ‘ieder die Jezus bewust in zijn hart aanneemt als zijn/haar persoonlijke verlosser en dat met de mond belijdt, is behouden, alle anderen zijn verloren’. Veel recente theologen hebben laten zien dat zo’n definitie een vernauwing betekent van wat de Bijbel ons biedt. Natuurlijk zijn er teksten die zo’n definitie kunnen staven, maar wat van ‘redding’ die bestaat uit lichamelijke genezing, wat van de arme Lazarus die (automatisch) gered werd, terwijl de rijke (automatisch) niet gered werd, wat van de schapen en de bokken die gescheiden worden op basis het geven van een glas water aan ‘één van deze kleinen’?

 

Evangelischen en de hel

Wat is de hel nu precies? Weten wij veel! In het Oude Testament heb je nauwelijks een concept van een dodenrijk, laat staan een hel. Met de dood is het uit, hoewel er hoop op meer doorklinkt in de psalmen. In het Nieuwe Testament slaan de stoppen ineens door. Jezus spreekt meer over een hel dan wie dan ook in de Bijbel. Je verwacht dan meer duidelijkheid bij deze tweede persoon van de Drie-eenheid. Maar zoals dat telkens het geval is wanneer Jezus spreekt, zo ook hier: ambivalentie. Jezus, de incarnatie van het Woord, spreekt woorden die verwarren, uitdagen en spanningsvelden creëren. Jezus heeft het over Gehenna, wanneer hij over de hel spreekt. ‘Gehenna’ verwijst naar de vuilnisbelt in Jeruzalem waar inderdaad altijd wel een vuurtje smeulde en waar voortdurend maden bijdroegen aan het verrottingsproces. Er staat sommigen dus wel duidelijk een oordeel te wachten. Jezus gebruikt beeldspraak: pas op dat je niet op de vuilnisbelt terechtkomt, want dan is je verlies volkomen.

 

Maar kijk eens naar de doelgroep van Jezus! Verkondigt hij het evangelie aan een verloren wereld? Nee! hij spreekt tot het ‘Huis Israëls,’ zeg maar, gelovigen. Wie worden er gedreigd met de hel, wie krijgen er te horen dat slechts weinigen ingaan door de enge poort? Precies, zij die denken erbij te horen; niet de goddeloze heidenen die afgoden aanbidden, niet zij die het evangelie nog niet gehoord hebben. Zij die menen dat ze reeds behoren tot het Koninkrijk van God moeten uitkijken niet op de vuilnisbelt te verdwijnen. Om het een beetje toe te passen op onze tijd: Gelovigen die huichelaars zijn wacht een oordeel. Mensen die hun mond vol hebben over Jezus, zullen hem straks tegenover zich zien staan. Voor heidenen is er alleen maar hoop, heel veel hoop, want een vernieuwd Israël onder Jezus moet naar de wereld toe: Verkondig het evangelie (evangelie betekent ‘Goed Nieuws’) aan de hele wereld en maak alle volken tot mijn volgelingen.

 

Dan hebben we nog ‘dodenrijk’ en ‘poel des vuurs’. De eerste verdwijnt in de laatste. Maar dat gebeurt in de context van Openbaring, een boek geschreven in de stijl van apocalyptische literatuur. De symboliek aldaar is apocalyptisch en ontstijgt onze verhitte pogingen zo’n poel te conceptualiseren als een hel waarin mensen voor eeuwig zullen branden. Daarmee is niet gezegd dat er dus geen eeuwige hel is, maar er is te weinig om zo’n concept op bijbelse gronden te verdedigen als absolute godsopenbaring.

 

De hel ontkennen is net zo onzinnig als de hel verdedigen. In het eerste geval (ontkennen) worden we gedreven door een tijdgebonden verlangen om van God een uitsluitend lieve God te maken die geschapen is naar ons beeld. Bij God zijn rechtvaardigheid en liefde in volmaakt evenwicht en eenheid. In het tweede geval (verdediging) maakt onze theologie ons tot negatievelingen die de wereld niets te bieden hebben (vooral geen goed nieuws). “Wij weten niet.” Durven we dat te zeggen? Wij weten niets anders dan Jezus die gekruisigd en opgestaan is, die eenmaal levenden en doden zal oordelen, maar gezonden is om de wereld te redden, omdat God niet wil dat er ook maar iemand verloren gaat. Hij zegt de onderdrukkers van deze wereld de wacht aan. Laten we de hel maar aan God overlaten. We staan hier in dit leven al voor genoeg hete vuren.

Advertisements