Column for http://www.cip.nl

“En gaat PSV morgenavond van Ajax winnen, Sjaak?” Het zelfverzekerde gezicht van de Zuiderling trok open in een brede scheve grijns. “Zeker weten. PSV kan gewoon niet verliezen”, kwam het eruit in onvervalst Brabants. Een totaal ongefundeerde zekerheid bij Sjaak, natuurlijk, maar zo begrijpelijk. Het drukt meer hoop uit dan enige waarschijnlijkheid dat het ook echt gebeurt. Wij christenen spreken over ons geloof vaak met een vergelijkbare ontoelaatbare zekerheid. Wij weten zoveel meer dan we kunnen weten. 

Ik kan zo drie voorbeeld geven. (1) Ik geloof als christen dat de Bijbel Gods Woord is; dat ik in de Bijbel God ontmoet. Maar veel christenen vinden het nodig verder te gaan, en stellen met grote beslistheid dat ze weten wat Gods Woord ook leert. Ze weten blijkbaar de betekenis van de Schrift nauwkeurig weer te geven en lijken in staat de samenhang van haar onderdelen zodanig te beschrijven dat er geen twijfel of mysterie meer overblijft. (2) Veel christenen weten ook precies hoe Genesis 1 zich verhoudt tot de wetenschap. Voorbijgaand aan het feit dat ook deze wereld met haar wetenschappelijke kennis Gods wereld is, maken ze wetenschap ondergeschikt aan de eigen interpretatie: zo is het en niet anders. (3) Voor anderen staat het als een paal boven water: God verkiest sommigen tot behoud en anderen tot verdoemenis. Dit is dan niet zomaar een interpretatie of een constructieve theologie, nee, dit is wat God echt doet. Zeker weten!

Maar als IK het zeker weet dan ben IK degene die bepaalt wat voor mij autoriteit is en dus autoriseer IK eigenlijk die autoriteit, dan verklaar IK mijzelf gered en verleen IK dus God de toestemming mij voor de schepping uitverkoren te hebben, dan vertel IK hoe de schepping tot stand is gekomen en is Gods vrije scheppingsdaad dus ondergeschikt aan hoe IK de Schrift uitleg. Als IK het zeker weet, heb IK God niet nodig: niet voor mijn geschapenheid, niet voor zijn communicatie naar mij als zijn schepping en ook niet voor mijn eeuwige heilsbestemming. Ik maak MIJZELF tot middelpunt van het weten en sluit daarbij de mogelijkheid uit dat IK het mis heb. Dat God nog wel iets te zeggen heeft, ontken IK niet. IK ben echter degene die uiteindelijk bepaalt wat Gods Woord is, wat Gods Woord leert, en wat er over gezegd kan en mag worden. Niet de Schrift, maar mijn menselijk denken is het anker der zekerheid geworden. Op het fundament van mijn kennis mag de Bijbel Gods Woord zijn en tot mij spreken.

Dit is de grote fout die veelal gemaakt wordt. Als wij echter ons “zeker weten” inslikken en ophouden overal zonodig de puntjes op de “i” te moeten zetten alsof die gelijk staan aan de tittels en iota’s van de wet van Mozes, geven wij het voorbehoud terug aan God. “U spreekt, en ik luister”, wordt het dan. Dit goddelijk spreken mogen we herkennen en benoemen, maar altijd in schroom. Samuël was niet in staat de stem van God als Gods stem te herkennen en wij, nauwelijks droog achter de oren als we zijn, ineens wel? Al dit “zeker weten” over God leidt tot een God van ons eigen maaksel, die braaf christelijk jargon uitkraamt en alles vindt wat WIJ vinden en sanctioneert en veroordeelt wat WIJ sanctioneren en veroordelen. Dat is afgoderij!

Dit zeker weten is funest voor de geloofwaardigheid van het evangelie. Geloofszekerheid is een mooie zaak, maar daarin getuigt de Heilige Geest met onze geest over een waarheid die wij in totale afhankelijkheid ontvangen van God. Ons zeker weten kan een vreselijk obstakel worden, een goed werk waardoor wij onze behoudenis proberen te verwerven, een daad van hoogmoed. We houden daarmee het heft in eigen hand tegenover een God die maar één ding wil: onze overgave aan Hem.

De God van de Bijbel is en moet altijd een bekende én onbekende God zijn en blijven. Hij treedt ons in Jezus tegemoet. Maar deze Jezus gooit tafels omver en klaagt de gevestigde religie aan. De gevestigde religie; dat is uw en mijn religie, die ontstaat wanneer wij vinden dat we precies weten wat God zegt. En dat is niet meer dan voetbaljargon.

Advertisements