Article written for Dutch Newspaper Reformatorisch Dagblad, December 28 2012

Bonhoeffer is een onverwachte gast in deze rubriek. Wie zijn naam hoort, denkt aan het Duitse verzet in de Tweede Wereldoorlog en zijn martelaarschap. Ook zijn er genoeg stichtelijke overdenkingen van de hand van Bonhoeffer verschenen. Hoewel hij gelezen wordt in heel christelijk Nederland was Bonhoeffer toch eigenlijk half vrijzinnig?

Goed, hij was radicaal voor Jezus, maar wat kan deze man, die eigenlijk in geen enkel hokje past, betekenen voor apologetiek? Bonhoeffer is ondanks zijn korte leven één van de belangrijkste theologen van de 20ste eeuw. Hoewel hij relatief bekend is, is lang niet alles wat hij schreef in het Nederlands vertaald en uitgegeven. Een nauwkeurige lezing van zijn werk toont een man die diep nadacht over de betekenis van Jezus voor de tijd waarin hij leefde. Daarin ging hij de dialoog met filosofie niet uit de weg. En dus komt er uit onverwachte hoek, van een lutheraan, van iemand die natuurlijke theologie afwijst (zo belangrijk voor apologetische godsbewijzen), een belangrijke en relevante bijdrage voor apologetiek vandaag. We kunnen slechts een korte schets geven.

Filosofie als Autonome Denkdaad

In zijn 2de dissertatie Akt und Sein (vert. Daad en Zijn) poogt Bonhoeffer een theologische kritiek te geven op de filosofie van de Verlichting en daarna. Hij bespreekt o.a. Kant, Hegel, Husserl and Heidegger als representanten van verschillende belangrijke filosofische stromingen. Hij deelt ze in twee grote groepen in: ‘denkdaad-‘ en existentiefilosofieën. In de filosofie als denkdaad probeert de filosoof ruimte te creëren voor datgene wat buiten bereik van het menselijk denken ligt, het transcendente, God. De filosofie van Kant is er een goed voorbeeld van. Het is allemaal goed bedoeld, vindt Bonhoeffer, maar wat gebeurt er eigenlijk? Wie bepaalt de grens tussen het denken en God? Precies, de filosoof, het menselijk denken, de denkdaad. Hoewel er een poging is God tot zijn ‘recht’ te laten komen, is het eigenlijk het autonome menselijke ‘ik’ dat de lakens uitdeelt. Het denken begint de wereld te verkennen en bepaalt dan zelf waar God ‘begint’, maar ook wat God is, wie God is en waar God toe in staat is. In de filosofie van Hegel, het Duitse idealisme, komt dat helemaal duidelijk naar voren. Hegel, beschouwt God, wereld, geschiedenis en mensheid als één geheel. God komt tot zelfbewustzijn in de geschiedenis, beweert Hegel. En dat gebeurt middels de zelfbewustwording van de mens­heid, omdat wij deel uitmaken van God. Hoewel ‘God’ een belangrijke rol speelt in Hegels filosofie, is het de god van zijn eigen inbeelding. Dat komt omdat het autonome ‘ik’ bij zichzelf begint en zo een beeld van God en werkelijkheid creëert. Hegel probeert God te ‘redden’ van de filosofie maar maakt God zo slaaf van het menselijk denken. De existentiefilosofieën doen het niet veel beter voor Bonhoeffer. Fenomenologen als Husserl en existentialisten als Heidegger proberen om het bestaan van dingen ruimte te geven, zonder dat het denken meteen de grenzen en de identiteit ervan bepaalt. Maar de enige manier om dat te doen, is om weer uit te gaan van het menselijk denken. Met andere woorden, ook deze filosofen beginnen met de autonomiteit van de menselijke rede. Filosofie probeert ofwel zelf alles te bepalen (denkdaad), ofwel dat niet te doen (existentie), maar zelfs dan, heeft het zelf al de beslissing genomen om het niet te doen; dus is het toch weer denkdaad. Wie met het menselijk denken begint, kan alleen met het menselijk denken eindigen. En daarom falen alle filosofieën die Bonhoeffer beschrijft. Zowel als denkdaad en als existentie is filosofie een autonome daad van het ‘ik’ die zonder God genomen wordt. En het probleem is dat je op deze manier nooit uit kunt komen bij God, bij openbaring. De autonome denkdaad van de filosoof krijgt altijd gelijk (wat het ook beweert) want het is nu eenmaal begonnen met autonomie. En dus is vanaf het begin de uitkomst reeds bepaald. Elk spreken van God wordt bij voorbaat ingekaderd als ofwel onhoorbaar, of als product van ons eigen bewustzijn. Bonhoeffer zegt: “Het denken is net zo min als goede werken in staat om het in zichzelf gekeerde hart te verlossen van zichzelf.”

Geloof en Openbaring

Bonhoeffer wijst deze twee vormen van filosofie af. Alle filosofie die met de mens begint, is niet in staat ruimte te creëren voor de godsopenbaring. Filosofie als systeem, dat beheerst en bepaalt, faalt. Filosofie kan alleen een kritische functie hebben, d.w.z. theologische concepten toetsen op houdbaarheid en consistentie. Maar hoe kunnen we dan ruimte geven aan de openbaring? Alleen door het geloof, zegt Bonhoeffer. Net als denkdaad is geloof een daad. Maar in plaats van autonomie is geloof een daad van overgave, recapitulatie, aan God waarin God het eerste woord ­krijg­t. In plaats van de menselijke existentie staat de openbaring van God centraal. Deze openbaring is alleen toegankelijk voor het geloof. Het autonome denken kan het niet zien, maar door het geloof krijgt iemand, door één te worden met Christus, er wel deel aan. Door het geloof krijgen we deel aan het lichaam van Christus op aarde: de gemeente. Bonhoeffer is niet echt een apologeet, maar om ruimte te creëren voor een theologie in de 20ste eeuw, die voorbijgaand aan de vrijzinnigheid, de Bijbel als Gods Woord wilde beschouwen, kon een antwoord op verlichtingsdenken niet uitblijven. En zo heeft Bonhoeffer ons een confrontatie met filosofie nagelaten die nauw aansluit bij het denken van Luther. De laatste beschouwde het menselijk hart als zondig in zichzelf gekeerd. Rechtvaardiging door het geloof heeft als resultaat dat het hart zich opent en naar buiten, naar God keert. Voor Bonhoeffer is het precies zo gesteld met de filosofieën van zijn tijd: de rede is in zichzel gekeerd en ten dode gedoemd. Het is de zonde van Eden, de mens die zelf de grenzen bepaalt, zelf zegt wie hij is, zelf bepaalt of God iets zegt en wat God bedoelt. Maar door het geloof mag het denken van zijn autonomie verlost worden en deel krijgen aan Gods openbaring. Bonhoeffer is relevant voor vandaag. Waar mensen steeds minder geïnteresseerd zijn in bewijzen voor Gods bestaan, staat men eerder open voor het argument dat het christelijk geloof een ‘verhaal’ is dat pas begrijpelijk wordt wanneer mensen bereid zijn niet langer zelf de baas te spelen in hun hart en hoofd.

Advertisements