Article for Dutch newspaper Reformatorisch Dagblad, October 5 2013

Heeft apologetiek afgedaan?

Toen de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer onder de nazi’s in de gevangenis kwam, maakte zijn theologie een interessante ontwikkeling door. Zijn ideeën komen tot ons in verspreide fragmenten uit zijn brieven. Bonhoeffer heeft ze nooit systematisch kunnen uitwerken, omdat hij vlak voor de capitulatie van de nazi’s werd opgehangen. In zijn brieven keert Bonhoeffer zich tegen apologetiek. Waarom? Was Bonhoeffer ineens minder gelovig geworden? Was de waarheid van het christelijk geloof niet meer concreet voor hem?

In zijn kritiek sluit Bonhoeffer zich aan bij de theoloog Karl Barth. Die wees apologetiek af als een poging om buiten Gods openbaring om bij God uit te komen. God is volgens hem alleen toegankelijk door middel van zijn zelfopenbaring in Christus. Als apologeten met argumenten die losstaan van die zelfopenbaring proberen mensen te overtuigen van het bestaan van God, maken ze gebruik van andere bronnen dan die zelfopenbaring. En dan gaat het uiteindelijk niet meer over dezelfde God. Dus is apologetiek onmogelijk.

Bonhoeffer dacht er ook zo over, maar in zijn gevangenisbrieven voegt hij daar nog een argument aan toe. Volgens Bonhoeffer was de wereld mondig en volwassen geworden. Mensen hebben God steeds minder nodig als verklaring om de wereld te begrijpen en ook voelen ze zich meestal eigenlijk helemaal niet meer schuldig en angstig over zonden, zoals in de tijd van de Reformatie.

In zo’n situatie is apologetiek eigenlijk een zwaktebod, meent Bonhoeffer. Als je probeert om mensen eerst weer in de ellende te praten voordat ze beseffen dat ze God weer nodig hebben, is dat niet erg voornaam. Waarom zouden apologeten een volwassen en mondig geworden mensheid weer terug willen brengen naar de pubertijd van afhankelijkheid aan God? En waarom mensen een complex van schuld en angst voor de dood aanpraten waar ze die niet voelen? Is dat niet een vorm van manipulatie, zo vraagt Bonhoeffer zich af, om mensen hun zonden aan te praten, terwijl Jezus mensen juist uit hun zonden wegriep?

Na deze analyse zwijgt Bonhoeffer verder over het onderwerp en is het aan ons te gissen hoe zijn nieuwe theologie en apologetiek eruit zouden moeten zien. Hoewel ik niet denk dat Bonhoeffers afwijzing van apologetiek sluitend is, gaf hij blijk van een geweldig inzicht in de problematiek waarvoor de kerk zich tegenover de secularisatie gesteld ziet. Apologetiek is een van de pogingen om een antwoord te geven op deze problematiek. Ik denk een terechte. Maar het is goed kritisch te kijken naar hoe we onze apologetiek precies bedrijven.

Zonder verder te speculeren over waar Bonhoeffer nu precies naartoe wilde, zal ik zijn kritiekpunten daarom toepassen op onze apologetische methode. Ze helpen ons recht te doen aan zowel het geloofsgoed dat ons is toevertrouwd als de context waarin wij ons werk verrichten. Ze slaan niet de pijlers onder het apologetisch project weg, maar helpen wel om nederig te zijn en onze grenzen goed in het oog te houden.

Godsconcept

Eerst over de rol van de Bijbel in apologetiek. Apologetiek wordt inderdaad vaak uitgevoerd buiten Gods zelfopenbaring in de Schrift om. De redenering is dat mensen voordat ze in Gods openbaring kunnen geloven eerst andere redenen moeten hebben om dat te doen. Die redenen kunnen dan dus niet ontleend worden aan die openbaring.

Maar deze gedachtegang betekent dat we een soort neutrale definitie van God moeten hanteren: een godsconcept waarvan de ongelovige zegt dat ‘het’ niet bestaat en de apologeet om verschillende redenen van wel. Bonhoeffer en Barth stellen denk ik terecht dat dit problematisch is. Een neutraal, algemeen godsconcept bestaat niet. Als het al bestaat heeft de Heere, de God van Abraham, Izaäk en Jakob, daar weinig mee te maken. Als wij willen dat mensen geloven in de Vader van Jezus Christus, zullen wij Christus moeten prediken en in onze apologetiek over niets anders willen spreken dan die God, Die zich in Christus openbaarde.

Tegelijk laten wij vaak diezelfde openbaring bepalen wat de wetenschap mag zeggen. Dat is weer het omgekeerde. Van Bonhoeffer kunnen we op dit punt leren dat apologetiek voorzichtig moet zijn om al te veel met wetenschap te maken te willen hebben. Dat is niet omdat dan misschien duidelijk zou worden dat de wetenschap laat zien dat onze theologie achterhaald is. Maar als we ergens geen verklaring voor hebben, bijvoorbeeld voor bijzonder ingewikkelde organismen in de natuur, bewijst dat nog niet dat God ‘dus’ bestaat.

Bonhoeffer wil een helder onderscheid. Bijbel, theologie en apologetiek gaan over de betekenis van deze wereld, terwijl de wetenschap gaat over de feiten ervan. Theologie gaat over de relatie tussen God en wereld, terwijl wetenschap niets kan zeggen over wat buiten deze wereld is. Wetenschap verandert constant en dat geldt dus ook voor apologetische argumenten ontleend aan wetenschap. Wat vandaag een bewijs voor God genoemd wordt, blijkt morgen zijn grond te hebben in een of ander deeltje nog kleiner dan een quark. Wanneer zo’n natuurlijke verklaring gevonden wordt, lijkt het of ook Gods bestaan daarmee wegvalt. Apologetiek maakt zich zo veel te afhankelijk van wetenschap.

Wat betreft Bonhoeffers punt, dat we mensen niet eerst in de schuld moeten praten om hen vervolgens het Evangelie te kunnen opdringen: dit laat heel duidelijk zien dat andere tijden in het algemeen de behoefte met zich meebrengen van anders geformuleerde antwoorden. Bonhoeffer zag de opkomst van het secularisme. Wij zien inmiddels nog veel meer: we leven in een postmodern, postchristelijk en pluralistisch tijdperk. Dat komt erop neer dat de waarheidsvraag minder centraal staat en dat het christelijk antwoord bij voorbaat al 
verdacht is. Ons denkkader is voor velen totaal vreemd geworden.

Meer dan ooit komt het erop aan ons te bezinnen op de vraag hoe we duidelijk maken dat Jezus Christus het antwoord is ook op de vragen van vandaag. Meer dan ooit betekent dit integer en authentiek spreken over en handelen naar het woord van Jezus. Herijking op het fundament en het fijn afstellen van ons gereedschap moeten telkens opnieuw gebeuren. Trouw aan de boodschap en relevant voor de tijd waarin we leven leggen we dan getuigenis af van de hoop die in ons is.

Advertisements