An abbreviated version has appeared as a column for www.cip.nl

Je kent ze wel, die zondagschoolplaatjes van vroeger met een blonde Jezus met blauwe ogen. Ik dacht er nooit wat van. Zo zag Jezus er toch uit? Het Woord werd vlees. Jezus is een blanke man, zoals wijzelf zijn. Ook mijn evangelisch christendom had er weinig moeite mee. Jezus was en is één van ons en wij horen bij hem. Veel later kwam ik in volkskunst andere “Jezussen” tegen: een Jezus die er uitziet als een Indiaan uit het Andesgebergte, of een Aziatische Jezus, of een zwarte Afrikaanse Jezus. Mijn eerste reactie was dat deze Jezussen weliswaar uitdrukking gaven aan de verbondenheid van inheemse volken met de Jezus van de Bijbel, maar dat ze er natuurlijk wel naast zaten. Want zo zag Jezus er niet uit. Toen kwam natuurlijk de tegenreactie: mijn blonde-Jezus-met-de-blauwe-ogen zat er ook naast. Dat is een Jezus naar mijn beeld. Zijn zulke Jezussen fout of goed?

Al theologie studerend kwam ik erachter dat het heel natuurlijk is om uitdrukking te geven aan de gedachte dat Jezus één van ons is. Want dat is wat Jezus kwam om te doen. Het Woord werd vlees, het Woord kwam tot het zijne. Doorgaans heeft dat “zijne” de neiging om Jezus niet te herkennen als “de hunne”. Maar waar dit gebeurt, zeggen mensen blij: Jezus hoort bij ons; hij is er een van ons. Ze begrijpen dat de Jezus van het Joodse volk in de eerste eeuw van onze jaartelling nu bij hen is, onder hen woont en wandelt. Theologen noemen dit contextualisering. Jezus leeft nu, is nu aanwezig en spreekt onze taal voor onze situatie, onze wereld, onze context.

Toch is er een probleem met deze contextualisering, dit eigen maken van Jezus. Als ik nu terugkijk naar de blonde-Jezus-met-de-blauwe-ogen dan gebeurt er iets raars. Ik heb inmiddels wel een paar dingen geleerd over onze vroegere betrokkenheid bij de slavenhandel en ons koloniale verleden. Onze huidige Westerse machtsblokken houden sociaal onrecht en economische uitbuiting in stand. De armoede en vervuiling in deze wereld worden voor een groot deel veroorzaakt door het Westen. En dan staart die blonde-Jezus-met-de-blauwe-ogen naar me en zegt als het ware: Ik ben met je, ik ben één van jullie, ik hoor bij jullie machtscentrum, ik ben het eens met hoe het Noorden met het Zuiden omgaat, ik sanctioneer je economische politiek van zelfverrijking, ik maak me niet druk om mensen in de marge. Ik kan mezelf natuurlijk ook vertellen dat de blonde-Jezus-met-de-blauwe-ogen daar niets mee te maken heeft. Dat die alleen geïnteresseerd is in of en hoe de deur van mijn hart opengaat zodat ik in de hemel kan komen. Helaas is ook dat de echte Jezus niet. Zowel de sanctionerende als de ziel-zaligmakende Christus vormen een reductie van de echte Jezus van de Evangeliën. De Christus die niets te zeggen heeft over raciale onderdrukking en economische uitbuiting lijkt zo weinig op die man die tafels omver gooide, prostituées en verschoppelingen opzocht en zelf van de marge afkomstig was: Nazareth.

Wat moet je dan met een gecontextualiseerde Christus? Een Christus die bij de mensen hoort? Een Christus die “van ons” is? Al deze beelden van Christus zijn teveel het product van menselijk denken. Teveel wordt geprobeerd om een beeld van Christus te vormen dat zegt dat mensen ‘okay’ zijn waar ze zich bevinden. Voor mensen in de marge, mensen in situaties van onderdrukking, kan ik me dat goed voorstellen. Jezus is inderdaad bij hen in hun onderdrukte staat; hij lijdt met hen mee. Maar voor mensen in het machtscentrum, wij dus met onze blonde-Jezus-met-de-blauwe-ogen, kan het een goed idee zijn om iets totaal anders te doen.

Stel je voor dat ik niet langer mij Jezus voorstel als behorend tot mijn club, mijn machtscentrum, als “een van ons”. Stel je voor dat ik me Jezus voorstel als de ander. Denk je eens in dat ik Christus, mijn Heer, voor me zie als een zwarte man. Gewoon heel praktisch: Mijn Jezus hoort bij een andere gemeenschap, een ander ras, een andere wijk. Hij heeft een andere huidskleur, spreekt een vreemde taal. Hij houdt zich voornamelijk op bij mensen die vertrapt worden. Hij wil me iets duidelijk maken, maar om hem te verstaan moet ik mee naar zijn huis, in de wijk waar hij woont, bij de mensen die zijn mensen zijn. Het is een eenvoudige eengezinswoning in een moslimwijk in Rotterdam-Zuid. Hij gedraagt zich niet vijandig en beschuldigt me niet. Hij wil mijn betrokkenheid bij de dingen die hem aan zijn hart gaan. Daar is mijn Christus. Hij is zwart. In zijn huis klinkt salsa muziek en kan je de geur opsnuiven van exotisch eten.

Wanneer wij Christus contextualiseren als de ander (en geloof me, wij allen contextualiseren Christus), wanneer het machtscentrum Christus contextualiseert als de gemarginaliseerde mens, dan raakt iets ons diep. Plots staat de Heer van het universum niet aan onze kant; hij bevindt zich niet in ons centrum; hij is niet neutraal. Hij nodigt ons uit tot de marge. Zijn marge. Die marge wordt dan ons aandachtspunt. En in het liefhebben van mijn gemarginaliseerde naaste wordt ik gevormd naar het beeld van Christus. Door op weg te gaan naar de marge, plaats ik mijzelf in de aanwezigheid van Christus. Ik contextualiseer Christus nog steeds, maar nu zo dat ik niet naar boven kijk en weg staar van mijn verantwoordelijkheid voor mijn naaste. Nu is Jezus niet langer degene die mijn centrumpositie rechtvaardigt en me een aai over m’n bol geeft. Ik ga horizontaal op weg naar Christus die daar is. Daar waar mensen onderdrukt worden. En ik kom thuis.

Advertisements