Article for Dutch newspaper Reformatorisch Dagblad, October 2013

Wie wonderen serieus neemt—vooral als het om wonderen in het verleden gaat—kan niet heen om de verpletterende kritiek van David Hume (bijna 300 jaar geleden). Hij schreef in zijn Een Onderzoek Betreffende het Menselijk Begrip: ‘Geen getuigenis is voldoende om een wonder te staven, tenzij het getuigenis van een zodanige aard is, dat de ontkenning ervan nog wonderbaarlijker zou zijn, dan het feit dat het probeert te staven.’ Hume was een Verlichtingsdenker, een empiricist. Alleen wat zintuigelijk waarneembaar was, gold als kennis voor hem. Samen met Hume deden veel intellectuelen wonderen in de Bijbel in de ban, en uiteindelijk werd de Bijbel zelf voorwerp van kritiek. Voor Hume ging het zover dat hij niet eens zeker was of hij in het dagelijks leven oorzaak en gevolg waar kon nemen. Hij twijfelde zo’n beetje aan alles en ging een potje schaken om zijn gedachten te verzetten. Hume’s skepticisme was een doodlopende weg. Niet alleen wonderen maar ook het dagelijks leven werd er onmogelijk mee.

 

Geschiedenis

Hume’s skepticisme was niet alleen een probleem omdat het niets opleverede, het duwde andere manieren om aan kennis te komen van hun plaats. Hume’s empiricistische filosofie sloot nauw aan bij de wetenschappelijke methode die in zijn tijd ontwikkeld werd. Volgens deze methode gelden alleen harde, laboratorisch herhaalbare, fenomenen als kennis. Andere vormen en bronnen van kennis zijn er niet. Nu, dat botst met het hele idee van historisch onderzoek. De geschiedenis is niet herhaalbaar en bestaat eveneens niet uit voorspelbare fenomenen. De geschiedenis stelt ons voor een onvoorstelbare hoeveelheid unieke gebeurtenissen die nooit terug zullen komen. Het heeft niets gemeen met de wetenschappelijke methode met z’n zogenaamde objectiviteit. Hume, empiricisme en de Verlichting horen bij wat wij nu het modernisme noemen. In deze periode werden waarden en normen gescheiden van (wetenschappelijke) feiten. De laatsten waren echt, de eersten deden niet echt meer mee. Godsdienst, inclusief wonderen, hoorde ook bij de eerste groep van ‘niet-kennis.’ Eigenlijk waren de modernisten helemaal niet zo objectief. Nog voordat men begon te praten over religieuze beleving, zeg wonderen, waren er al knoeperts van denkfouten gemaakt. Hume’s standpunt is achterhaald.

Veel denkers zijn erachter gekomen dat de denkwijze van het modernisme meer problemen oplevert dan oplossingen aandraagt. In de postmoderne tijd wordt er meer en meer anders tegen wonderen aangekeken. Men vindt het nog steeds erg onwaarschijnlijk dat Jezus uit de dood is opgestaan, maar er is veel meer openheid voor religiositeit en spiritualiteit. Bovennatuurlijke en onverklaarbare dingen worden niet meer a priori van de hand gewezen. Tegelijk blijft het moeilijk om te bewijzen dat Jezus echt wonderen deed om nog maar niet te spreken over het gebruik van wonderen om de waarheid van het evangelie te staven. We kunnen niet meer terug naar een pre-moderne wereld (lees vóór de Verlichting) waarin het bestaan van God en de historiciteit van de Bijbel niet of nauwelijks betwijfeld werden en wonderen dus vanzelf de functie konden vervullen van bewijs. Wat de postmoderne mens men name dwars zit is niet dat Jezus mogelijk een wonderdoener was, maar dat die wonderen onderdeel zijn van zijn exclusieve claim de enige weg tot God te zijn. Hebben wonderen dan nog een apologetische waarde of functie?

 

Aanstoot en dwaasheid

Wat de apostel Paulus zegt over de prediking van het evangelie is ook van toepassing op wonderen. De Griekse filosofen vonden het evangelie een dwaasheid. Ze kijken vandaag nog steeds mee over de schouders van de moderne scepticus die het idee van wonderen belachelijk vindt. Wetenschap wil ‘harde’ feiten en filosofie zoekt universele abstracte concepten. Daar hoort geen mens bij die door zijn leven en opstanding uit de dood de centrale figuur in de wereldgeschiedenis blijkt te zijn. Paulus schrijft dat datzelfde evangelie een belediging is voor de Joden. Klinken een zelfde soort irritatie en verontwaardiging niet door in de stem van de postmoderne spirituele mens die ruimte wil geven aan zoveel mogelijk stemmen, maar boos wordt op het wonder dat verwijst naar de uniekheid van Jezus? Alleen Hij maakt waarlijk vrij; alleen Hij staat op uit de dood (en alleen zij die in Hem geloven zullen dat ook meemaken); alleen Hij is de weg tot God en authentiek menszijn. Daar willen mensen vandaag de dag nog steeds niet aan.

Als zodanig bewijzen wonderen nog steeds niets. Maar ze zijn wel onderdeel van het Jezusverhaal, en prikkelen ieder die met deze man in aanraking komt. Wie ‘iets met Jezus heeft’ zal toch ook het hele plaatje serieus moeten nemen. Er is geen Jezus los van de evangeliën; de Jezus van de evangeliën is de enige die er is. Dat is een Jezus inclusief wonderen, radicale uitspraken, zelfopoffering, dood en opstanding. Het is óf de wonderbaarlijke Jezus óf geen Jezus. Geen wonderen? Dan ook geen Jezus. De functie van wonderen is dan ook om mensen te dwingen tot een beslissing vóór of tegen Hem.

Het probleem van wonderen, nl. dat ze niets bewijzen maar nog steeds dwars zitten wanneer men met Jezus te maken krijgt, is nu juist hun betekenis. Je kunt dit de apologetische waarde noemen, maar het is tegelijk een beetje een negatieve apologetiek. Wonderen helpen mensen juist niet om Jezus te aanvaarden, ze stoten af terwijl ze tegelijk aantrekken. Wonderen zijn aantrekkelijk, omdat ze temidden van een wanhopige wereld als symbool wijzen op de hoop, genezing en vernieuwing die God in Christus aanbiedt. Wonderen stoten af omdat ze als teken de identiteit van Jezus aanduiden: alleen Hij, Hij die wonderen doet, de man van smarten, is het die het Koninkrijk van God in zal luiden. Iedereen wil de hoop van Jezus, vrijwel niemand wil de doop van Jezus. De wonderen geven aan dat het koninkrijk er al is, maar ook dat de poort er naar toe via Jezus gaat.

Zoals Kierkegaard al aangaf in zijn Oefening van het Christelijk Geloof is het niet echt mogelijk om je Jezus toe te eigenen op je eigen voorwaarden, of Hem te domesticeren voor eigen gebruik (daar moeten wij in de kerk ook voor uitkijken). Jezus blijft de grote steen des aanstoots en zijn wonderen—en dan vooral het grootste wonder dat Hem zelf ‘overkwam’, de opstanding—staart ons mensen aan. We kunnen ons niet meer achter Hume’s argument verschuilen. Wat doen we er mee? Wat is onze respons? Aanvaarden we Jezus op zijn voorwaarden? Waar de apologeet voldoende voorhanden heeft om de wonderen van Jezus te beargumenteren, moet zij er tegelijk voor waken deze wonderen niet als hapklare brokken aan te bieden. Wonderen verwonderen! Daar zijn ze voor bedoeld.

Advertisements