I wrote this article for Dutch newspaper Reformatorisch Dagblad in May 2011. While my opinion concerning the relevance of the arguments for God’s existence has radically changed, I still consider this article meaningful. It represents a position that is still widely held in evangelicalism.

Toen ik jong was staarde ik altijd naar de horizon. Ik ervoer een onuitsprekelijk verlangen naar wat er achter te vinden was. Maar daar aangekomen, ging het onbestemde verlangen door. Ik heb hetzelfde met muziek. Ik hoor een mix van nieuwe en herkenbare klanken; een uitnodigende complexiteit en gelaagdheid. Ik schaf de muziek aan met de gedachte dat dit het antwoord op mijn esthetische zoektocht is, maar na een paar keer luisteren komt het verlangen naar meer terug.

De bekende Britse apologeet C. S. Lewis beschrijft in zijn autobiografie “Verrast door Vreugde” iets vergelijkbaars. Hij vertelt hoe hij reeds vanaf zijn jeugd zich bewust was van een besef van vreugde dat hem diep in zijn ziel trof en onbewust aanzette tot een zoektocht naar God. Het is een vreugde die verrast en overrompelt. “Alle Vreugde brengt in herinnering. Het is nooit een bezit, altijd een verlangen naar iets dat langer geleden is, verder weg of nog moet komen”, zo schrijft Lewis.

Voor Lewis was deze Vreugde een heenwijzer naar een andere wereld voorbij de onze. “Wij stervelingen (…) zijn slechts verschijningsvormen. Verschijningsvormen van het Absolute. Voor zover we echt bestaan (…) hebben we als het ware wortels in het Absolute, de ultieme realiteit. En daarom ervaren we Vreugde: we verlangen, terecht, naar die eenheid die we alleen maar kunnen bereiken door op te houden die onafhankelijke fenomenen te zijn die we “wij” noemen.” Lewis besefte dat de mens zonder God niet zichzelf kan zijn, ja, niets is. De mens is pas te begrijpen in verbondenheid met God.

Of het nu gaat om muziek, vreugde, kunst, seksualiteit of vriendschap, als deze dingen een doel op zich worden, verliezen ze hun vermogen om te vervullen en te bevredigen. Ze zijn slechts heenwijzers naar de oneindige vervulling van een aangewakkerd verlangen dat al het aardse en menselijke ontstijgt. Zo besefte ik zelf jaren later dat elke horizonervaring niets anders is dan een echo van mijn Schepper, Die in mijn hart een verlangen naar Hemzelf heeft gelegd. De Korte Catechismus van Westminster vraagt: “Wat is het belangrijkste doel van de mens?” Het antwoord: “God verheerlijken en zich voor altijd in Hem te verheugen.” Daartoe bestaat de mens; daartoe is hij geschapen. De mens geeft daarvan blijk in hoe hij gemaakt is en hoe hij zich gedraagt.

De mens is dus zelf een argument voor Gods bestaan. Een redenering als hierboven staat bekend als een “antropologisch godsbewijs”. Overigens maakt de Engelse term “argument” beter dan het Nederlandse “godsbewijs” duidelijk dat het hier niet gaat om een sluitende logische bewijsvoering, maar om een redenering die het bestaan van God aannemelijk wil maken.

De 17e-eeuwse Franse wiskundige Blaise Pascal had een geheel eigen versie van het antropologische argument. Hij merkte op dat de mens tegelijk geweldig en ellendig is, groots en gruwelijk, machtig en miserabel. Pascal schrijft in zijn Gedachten: “Wat voor een raar wezen is de mens! Hoe wonderlijk, hoe monsterlijk, hoe chaotisch, hoe paradoxaal, hoe abnormaal! Rechter over alles, zwakke aardworm, bewaarplaats van waarheid, gootsteen van twijfel en feilbaarheid, heerlijkheid en afval van het universum!”

De mens is groots in zijn rationeel vermogen;  hij verstaat de kunst ongelofelijke dingen tot stand te brengen op het gebied van kunst en wetenschap. Tegelijk is de mens een gevangene van zelf-destructieve neigingen, liefdeloosheid en immoraliteit. De menselijke paradox bestaat hierin dat we ongelukkig zijn, maar tegelijk wel weten wat geluk is. In de woorden van Pascalkenner Douglas Groothuis: “We bezitten enige waarheid, maar daarmee kunnen we onszelf niet tevreden stellen; we voelen onze eigen verdorvenheid aan, en daarmee realiseren we onszelf dat het menselijk bestaan abnormaal is, verre van ideaal en ontaard.”

Uit Pascals observatie kunnen we twee conclusies trekken. Ten eerste is de mens onverklaarbaar zonder God. De menselijke structuur vertoont een paradox die alleen met het bestaan van God te begrijpen is. Diep van binnen is er een verwijzing naar God die ondanks (of misschien zelfs dankzij) de verdorvenheid merkbaar en zichtbaar is.

In de tweede plaats komen we bij de christelijke levensbeschouwing uit als de enige die beide aspecten van de mens, zijn verhevenheid en zijn gevallen status, in balans weet te houden. De verhevenheid vinden we terug in de mens die als geschapen wezen beelddrager is van God (Gen. 1:26), terwijl hij vrijwel vanaf het begin tevens rebel is geweest jegens diezelfde God (Gen. 3).

Of de aandacht nu ligt bij het ‘schizofrene’ van de mens (Pascal) of de diepe echo en gewaarwording in de mens van een realiteit die buiten en voorbij het menselijke en materiële van deze wereld reikt (Lewis), de mens kan pas echt verstaan worden, wanneer God in beeld komt. Dat is de kern van elk antropologisch godsbewijs, dat door diverse christelijke denkers in verschillende vormen is uitgewerkt.

De Nieuw Zeelandse apologetische website Thinking Matters probeert het logisch als volgt te benaderen: 1. Alles wat de mens nodig heeft om te bestaan, bestaat. 2. De mens heeft God nodig om te bestaan. 3. God bestaat. Is de logica hier wel echt effectief? Punt 1 is zondermeer evident: de mens bestaat immers. Dus blijkbaar ook datgene waar hij niet zonder kan. Maar veel mensen zullen punt 2 niet overtuigend vinden. Velen menen immers dat God totaal overbodig is om de mens te verklaren.

Om dat te doen, moeten ze zich volgens het antropologische argument echter ontdoen van een hoop poëtische intuïtie en zich tevreden stellen met het hier en nu en zichzelf laten geloven dat doel en vervulling van het mens-zijn in het aardse, materiële en tijdelijke te vinden is. En dat is een moeilijke klus, want het menselijk gedrag bewijst dat mensen rusteloos op zoek zijn naar meer en nooit tevreden zijn met wat ze hebben. Dat de mens altijd meer wil, is zijn zondige reactie op de leegte in zijn hart die alleen door God gevuld kan worden. De mens heeft een “God-shaped hole” (een gat in de vorm van God) in zijn hart. De kerkvader Augustinus wist het al: “Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U, o God.” Maar wie dat wil ontkennen, zal daar —zij het tot eigen schade—altijd in slagen.

Advertisements