I wrote this article for Dutch newspaper Reformatorisch Dagblad in April 2012.

Søren Kierkegaard mag gerust beschouwd worden als een ongebruikelijke kandidaat om over te schrijven in een rubriek over apologetiek. Hij was lid van de Lutherse Kerk in Denemarken in de eerste helft van de 19e eeuw, maar was hij wel helemaal Bijbelgetrouw? Kierkegaard is de voorvader van het existentialisme en zijn naam wordt in verband gebracht met het postmodernisme. Hij schreef ontoegankelijke boeken vanuit verschillende perspectieven. Vaak wordt hij in één adem genoemd met Nietzsche en zijn leven werd gekenmerkt door melancholie en depressie.

Toch kunnen christenen in de 21e eeuw veel leren van deze opmerkelijke denker. Kierkegaards werk moet gezien worden als veel meer dan apologetiek. Hij was een filosoof die antifilosoof was, een christen die ‘antichristelijk’ was. Kierkegaard leefde in de hoogtijdagen van het modernisme waarin Kant en Hegel, de grote Duitse filosofen, vrijwel alleenheersers waren. Met hun abstractie, objectiviteit en allesomvattende systematiek hadden ze de werkelijkheid in bedwang gekregen (zo leek het tenminste) en het christelijk geloof slaaf gemaakt van de rede en kritische analyse. Kierkegaard moest er niets van hebben, net zo min als van de lauwe Deens staatskerk. Hij zette zich af tegen beide. Hij wilde laten zien hoe moeilijk het was om in het verchristelijkte Denemarken echt christen te worden. In plaats van universele systemen was Kierkegaard geïnteresseerd in het individu in zijn concrete bestaan.

Kierkegaard onderscheidt drie manieren waarop mensen in het leven kunnen staan: esthetisch, ethisch en religieus. Mensen die leven volgens esthetische manier gaan op in het tijdelijke. Ze worden geregeerd door zintuiglijke verlangens. Ze maken uiteindelijk nooit echte existentiële keuzes. Hun bestaan krijgt geen betekenis.

Mensen die de tweede, ethische, weg volgen, begrijpen dat ze voor hun redding afhankelijk zijn van iets anders dan de zichtbare wereld om hen heen. Ze omarmen het idee van een universele standaard. Ze zijn bereid tot offers omwille van een algemene morele norm en richten hun leven ernaar in. Er worden echte keuzes gemaakt. Toch schiet deze manier van leven tekort, omdat die geen rekening houdt met de zondigheid van de mens en omdat de morele norm geen rekening houdt met het individuele karakter van zowel de mens als zijn God. God wordt vervangen door een universele wet. Een systeem neemt de plaats in van een relatie met de Schepper.

Voor Kierkegaard is de religieuze manier van leven de enige echt authentieke manier van bestaan. Deze kenmerkt zich door de overgave aan God. De weg naar God is er niet een die afgelegd wordt door middel van rationeel, objectief redeneren maar door de sprong van het geloof waarin de individuele mens zich gepassioneerd toewijdt aan God. Niet kennis, maar relatie staat centraal. Niet de morele standaard als een onpersoonlijk systeem buiten God om heeft het hoogste woord, maar de oproep van God in Jezus Christus.

De benadering van Kierkegaard is belangrijk voor het denken over de kennis van God, een onderwerp dat centraal staat in apologetiek. Hoe kennen wij God? De weg die apologeten vaak bewandelen is die van de argumentatie. Gezonde logica, verankerd in het wezen van God en als gave aan de mens gegeven, zou automatisch moeten leiden tot onmiskenbare conclusies ten aanzien van Gods bestaan en wezen. De wereld is immers vol van aanwijzingen van Gods grootheid en liefde.

Hoe kwam het dat Kierkegaard zich daar niet aan wilde wagen? Dat heeft weer te maken met de tijd waarin hij leefde. Voor steeds meer mensen in de 19e eeuw was het christelijk geloof opgeslokt en gemarginaliseerd door ontwikkelingen in de filosofie en de wetenschap. Er was steeds meer twijfel ten aanzien van de historische betrouwbaarheid van de Bijbel en wat die Bijbel over Jezus zegt. Kant had religie weggeduwd in de hoek van de ethiek, maar dan alleen nog maar als religie zonder openbaring. Ook had hij een streep gezet door de vanzelfsprekendheid waarmee wij de ons omringende wereld zien en verwerken. Hegel had het christendom ondergeschikt gemaakt aan zijn filosofische systeem, waarin het bijbels taalgebruik alleen nog maar symbolisch werd opgevat.

Vrijzinnige theologen probeerden—met de beste bedoelingen, overigens—het christelijk geloof acceptabel te maken voor de rationalistische mens. Apologetische argumenten hadden plots heel weinig kracht meer. En dan is daar ineens Kierkegaard die ons vertelt dat het onwrikbare vertrouwen in de rede helemaal niet verder helpt om God te leren kennen, maar dat het een doodlopende weg is. God is niet de God van logische systemen, abstracte bespiegelingen of universeel geldende regels. God roept jou en mij op om ons te onderwerpen aan Christus.

Ziedaar de paradox van het geloof: God heeft zich om onbegrijpelijke redenen en op onbegrijpelijke wijze in Jezus geopenbaard, ergens ver in het verleden, daar waar we nauwelijks meer bij kunnen. Dat wat menselijk bezien absurd is, heeft God verkozen tot kanaal van zijn zelfopenbaring. Het enige wat ons helpt is het geloof, de sprong in het duister wat uiteindelijk een sprong in het licht blijkt te zijn. Tegenover modernistisch rationalisme, zegt Kierkegaard dat God de ‘Geheel Andere’ is.

We kunnen best kritiek hebben op Kierkegaard. Hij wekt de indruk toch wel erg veel afstand te scheppen tussen geloof en verstand. Beide hebben elkaar nodig. We kunnen ons immers aan de verkeerde god toewijden. Maar tegelijk maakt Kierkegaard duidelijk dat waar rede het geloof totaal verdringt (zoals in de 19de eeuw en daarna het geval is geweest) er iets mis is met die rede. Rationalisme, gebaseerd op menselijke autonomie, is een doodlopende weg. God laat zich niet vangen en in een hokje duwen. De mens is God niet de baas. God nodigt mensen uit op zijn voorwaarden: wat dwaas is in de ogen van mensen, heeft God uitverkoren.

Kierkegaards werk is eigenlijk een terugkeer naar belangrijke thema’s van de Reformatie. Hij benadrukt de zondigheid van de mens (de mens kan niet zelf de wet vervullen), de soevereiniteit van God (God staat boven de menselijke rede), de centrale plaats van het geloof (sola fide) en het onttrekken van het geloof aan de filosofie (zoals m.n. Luther bepleitte). Zo zien we hoe uit onverwachte hoek een apologetisch argument tevoorschijn komt dat tegelijk een theologische herijking, een filosofische vernieuwing en een oproep tot radicale toewijding aan God is.

Advertisements