I wrote this article on the apologetic nature of the New Phenomenology for Dutch newspaper Reformatorisch Dagblad in April 2014.

In mijn vorige bijdrage voor Weerwoord beloofde ik dieper in te gaan op de mogelijkheid van een postmoderne apologetiek. Hoe die eruit zou kunnen zien, of beter, hoe die er nu uit begint te zien. Ik hoef niet te fantaseren. Het is er al. Maar zoals dat in het postmoderne tijdperk verwacht mag worden, ziet het er heel anders uit dan je zou denken. Veel christenen zijn er misschien in eerste instantie wel niet erg blij mee. Moet dát doorgaan voor apologetiek? Het antwoord is dan verwarrend: nee, eigenlijk niet, maar nu het er toch is, blijkt het toch een apologetisch karakter te hebben.

Vergis je niet! We spreken hier over enkele van de belangrijkste filosofen van de afgelopen eeuw. De geïnteresseerde leek die eens lekker een boek over argumenten voor God wil lezen, hoeft niet te beginnen aan de werken die deze denkers produceren. Laat mij daarom bij wijze van introductie—en met dank aan het het recent verschenen Engelstalige boek van Christina Geschwandtner Postmoderne Apologetiek? Argumenten voor God in de hedendaagse filosofie—het verhaal vertellen van deze beweging die geen beweging is, deze non-apologetiek die ondank alles toch apologetisch is. De lezer mag haar eigen opinie vormen.

De geschiedenis van deze nieuwe, vreemde apologetiek begint bij de Duitse filosoof Edmund Husserl die aan het begin van de 20ste eeuw een nieuw soort filosofie ontwikkelt: fenomenologie. Husserl maakt zich zorgen over de neiging van de moderne mens om de hele wereld met de kracht van het eigen denken te beheersen. Dit zelfvertrouwen is onterecht. Het leidt tot een obsessie met de vraag omtrent de mogelijkheid te kennen. Husserl zet die vraag doelbewust in de koelkast, omdat die vraag onbeantwoordbaar is. Husserl besluit de dingen zichzelf te laten zijn. Hij wil ontvankelijk zijn voor de dingen zoals ze zichzelf presenteren. Na Husserl komt Martin Heidegger die de nadruk sterk legt op het menselijk bestaan in plaats van menselijk weten. Objectieve kennis bestaat helemaal niet, zegt Heidegger, omdat menselijk bestaan altijd een context, een geschiedenis, een eigen perspectief heeft. Menselijk bestaan begint reeds met basiskennis. Er is geen bestaan zonder weten. Kennisleer heeft daarom niet de prioriteit.

De aandacht voor het ding zelf (het fenomeen, zeg maar) brengt latere fenomenologen er vervolgens toe veel opener te zijn voor het religieuze. Is openbaring niet een verschijnsel, zijn religieuze rituelen en spirituele gemeenschappen ook niet fenomenen? Omdat de fenomenoloog niet langer gebonden is aan de overdreven “weetneiging” van de Verlichting, maar werkelijk open kan staan voor wat zich in zijn omgeving voordoet, worden zaken die met het geestelijke van doen hebben niet bij voorbaat afgeschreven.

De Franse filosoof Lévinas, bijvoorbeeld, grijpt voor zijn ethische filosofie van de ander, terug op zijn judaïstische wortels. In plaats van dat de mens middels zijn kennis de wereld en de ander probeert te beheersen, is het zijn ethische taak recht te doen aan de andersheid van de medemens. Als zodanig roept de ander hem ter verantwoording. In die oneindige andersheid van de ander is het ontraceerbare spoor van God aanwezig. Lévinas grijpt vaak terug op de God van Abraham om concreet te verwijzen naar dat spoor. Lévinas’ filosofie leunt op de God van Israël.

Filosoof, Jean-Luc Marion, vindt op zijn beurt Husserl en Heidegger niet ver genoeg gaan. De kennisdrang van de Verlichting voorbij streven en het menselijk bestaan centraal stellen is niet genoeg. De essentie van de dingen om ons heen is dat ze zichzelf ‘geven’ aan de toeschouwer. Wij hebben geen absolute toegang tot onze kennis, of de dingen, maar wel tot de ‘gegevenheid’ van die dingen. Die gegevenheid van het fenomeen, is vaak zo overweldigend dat de toeschouwer er helemaal geen grip op heeft. Hij kan het niet bevatten. Eén van de voorbeelden die Marion aanhaalt om dit te illustreren is goddelijke openbaring. Gods zelfopenbaring is zo verblindend, zegt hij, dat de ontvangende mens misschien denkt het te snappen, maar de waarheid is dat hij helemaal geen raad ermee weet.

Ruimte ontbreekt om uitgebreid in te gaan op andere denkers van deze nieuwe fenomenologie, zoals Michel Henry, Jean-Louis Chrétien, John Caputo en Richard Kearney. Ze doen echter allen iets vergelijkbaars. Ze tonen aan dat God nog lang niet is ‘uitgespeeld’.

Kenmerkend aan deze vorm van apologetiek is dat de denkers geen van allen proberen een apologetiek te bieden. Ze sturen zelfs niet op apologetische argumentatie aan. Dat is niet helemaal vreemd. De trouwe lezer van deze rubriek heeft al vaker gehoord dat in het postmoderne tijdperk godsbewijzen op z’n zachts gezegd problematisch zijn. Wie denkt God te kunnen bewijzen, gelooft nog in de kennisleer van de Verlichting. Veeleer worden theologische bespiegelingen gebruikt als case studies voor een meer algemene filosofische theorie. Maar—zo gaat de gedachte—als bespiegelingen over God behulpzaam zijn in filosofie wat zegt dat dan over God? Indirect is er dus wel een apologetisch argument: de werkelijkheid verhoudt zich heel goed tot de gedachte dat God bestaat. Dat dit zo opgevat wordt, blijkt wel uit het feit dat sommige filosofen helemaal niet blij zijn met deze ontwikkeling. De filosoof Janicaud schreef zelf een boek over deze ‘theologische ommezwaai’ in de filosofie. Hij roept filosofen weer op pure filosofie te bedrijven.

Deze denkers moeten overigens niet afgerekend worden op orthodoxe standpunten. Maar juist in een tijdperk, dat neigt voorbij te gaan aan leerstellige precisie, wordt vanuit diverse hoeken God weer als reële optie gepresenteerd. Dat is authentieker en geloofwaardiger dan dat één bepaalde stroming of kerkelijke gezindte het alleenrecht op de waarheid opeist. Dit is niet een apologetiek zoals we gewend zijn, maar als het waar is dat apologetiek niet meer op de oude voet verder kan en dat bewijzen geen inhoud meer hebben, dan is het niet vreemd dat apologetiek in het postmoderne tijdperk niet pretendeert te bewijzen, of een concrete apologetiek te leveren. Als het in het postmoderne tijdperk toch vooral op de praktijk en het doen aankomt, dan wijzen deze denkers de weg: ze doen aan filosofie en al doende tonen ze de realiteit van God aan.

Hoewel ik niet verwacht dat veel lezers van mijn artikel nu direct erg enthousiast worden van de nieuwe fenomenologie, zullen velen toch verrast zijn te horen dat God opnieuw volledig op de agenda staat van de Westerse filosofie. Laten we dat toejuichen ook al zijn de standpunten van deze denkers niet direct wat wij bijbelgetrouw zouden willen noemen.

Advertisements