The Heart of the Matter: Why Apologetics Fails to Convince

This is the pre-editorial version of my recent (Dutch language) article for newspaper Reformatorisch Dagblad, a conservative newspaper in the Netherlands, on why apologetics fails to convince its audience. I use James K. A. Smith’s book “Desiring the Kingdom” to show that apologetics doesn’t reach the human heart, the real locus of dedication and source of transformation.

Waarom is reclame zo veel meer bedreven in het beïnvloeden en transformeren van mensen dan de Kerk? Vrijwillig geven we ons hartstochtelijk over aan consumentisme. We geloven in wat ons wordt voorgespiegeld op tv en raken diep in ons wezen overtuigd dat wij ‘recht’ hebben op iets wat beter is dan wat we nu hebben. We dragen braaf ons inkomen over aan de makers en verkopers van consumentenelectronica, grotere huizen of gezondere kattenbrokken. Om deze vraag te illustreren, neemt filosoof James K. A. Smith in zijn boek “Desiring the Kingdom” (Verlangen naar het Koninkrijk) de lezer mee naar de meeslepende liturgie en symboliek van een aanbiddingsdienst in een moderne tempel. Al snel wordt duidelijk dat Smith de lezer voor de gek houdt: hij beschrijft niet een tempel maar een willekeurig shopping centrum in een gemiddelde Amerikaanse voorstad.

Voor Smith kent de vraag waar ik mee begon een duidelijk antwoord. Een antwoord dat vanzelf duidelijk wordt door een bezoek aan een winkelcentrum. Mensen worden verleid, meegesleept door een verhaal en dat niet met argumenten die pogen de consument te overtuigen maar door het hart van de bezoeker te vangen middels ervaring. Kom maar gewoon binnen, neem deel aan de rituelen van het consumentisme, hoor dezelfde boodschap maar telkens opnieuw en voor je het weet, geloof je en ga je meedoen, mee verlangen. Vanzelf wordt de toonbank een altaar waar we met liefde de godsdienst van het Westen bedrijven: kopen en verkopen! Smith’s argument is dat één van de redenen—of misschien wel dé reden—dat het hedendaags christendom de opkomende generatie niet aanspreekt of overtuigt, is dat het mensen aanspreekt op het niveau van het verstand in plaats van het hart.

In gereformeerd denken wordt vaak gewerkt met het concept wereldbeeld. De idee is dat iedereen een bepaald wereldbeeld heeft. Zo’n wereldbeeld geeft antwoord op de meest essentiële vragen, de grondvragen, van de mens: Wat is de zin van het leven? Waarom besta ik? Wie ben ik? Bestaat er een God? etc. Dit is een erg zinvolle benadering van de mens in zijn 21ste eeuwse context. Het laat onder andere zien dat bijvoorbeeld marxisme en protestantisme op z’n minst gelijkwaardig zijn voor wat betreft het vormen van een basis waarmee mensen hun wereld inrichten en ordenen.

James Smith heeft daar helemaal geen probleem mee. Hij is zelf groot geworden binnen de gereformeerde gemeenschap in Noord Amerika. Het probleem zit hem erin dat dit wereldbeelddenken de indruk kan wekken dat het hier alleen om het intellectuele gaat. Een wereldbeeld bestaat dan uit een verzameling verstandelijke aannames. Aan zo’n ‘verintellectualisering’ hebben gereformeerde denkers zich maar al te vaak schuldig gemaakt. (Wie heeft dat, opgroeiend in het modernisme, niet gedaan?) Voor Smith gaat men daarbij voorbij aan het hart. Wereldbeelden zijn geworteld in het menselijk hart waar een gepassioneerde toewijding bestaat die voorafgaat aan de argumenten van het hoofd. Het hoofd volgt altijd het hart. Of iemand een geldverslindende consument of een toegewijde discipel van Christus is, hangt niet af van hoe goed de argumenten voor het één of het ander zijn, maar wat de hartsgesteldheid is.

En hoe beïnvloedt je het hart? Niet met argumenten, zegt Smith, maar met ervaring en gedrag. De ‘praxis’ van het gaan naar een winkelcentrum, waar de parfum hangt, mooie vrouwen op posters je uitnodigen om toe te toebehoren aan een andere lifestyle, heeft een vormende werking op het hart. Het vaak verrichten van handelingen zodat ze gewoonten worden, bepaalt wat het hart liefheeft. Smith noemt dit liturgie. Niet de liturgie van een kerkdienst maar liturgie in de zin van het ondergedompeld worden in een bepaalde wereld middels ervaring, participatie en gedrag.

Dit is relevant voor apologetiek. Traditioneel gezien is apologetiek een typisch product van de Verlichting. Hoewel er vóór de Verlichting heus wel argumenten voor Gods bestaan waren, dienden die nooit om ongelovigen te overtuigen. Aquino en Anselmus hadden weliswaar argumenten voor Gods bestaan, maar voor Anselmus was het bewijs ingebed in een lofprijs van verwondering, terwijl Aquino alleen maar de basis wilde leggen van zijn theologisch bouwwerk voor een christelijk gehoor. Het is pas wanneer het scepticisme van denkers als Hume en Voltaire met behulp van de rede de basis en inhoud van het christelijk geloof in twijfel trekt, dat apologeten opstaan die op basis van dezelfde rede menen de goddelijke openbaring in Bijbel en Christus te kunnen waarborgen. Het gevolg is echter een verintellectualisering van geloof en een onevenredige nadruk op de cognitieve aspecten van het christelijk leven. Apologetiek is een typisch product van deze eenzijdige nadruk. Het is deze nadruk die voorwerp van kritiek is in het postmodernisme. Ik heb daar in deze rubriek reeds vaker over geschreven.

Interessant voor de reformatorische lezer is, echter, dat hoewel de gereformeerde traditie van nature veel de nadruk heeft gelegd op het cognitieve, het juist de gereformeerde filosoof Dooyeweerd was die de basis legde voor een gereformeerde filosofie die als een vroege aanval op het modernisme met zijn verstandelijke focus gezien kan worden. Dooyeweerd was van mening dat elke filosofie in de kern niet een rationele basis heeft, maar gevoed wordt door geloofsaannames. Het is niet voor niets dat James Smith zwaar beïnvloed is door Dooyeweerd.

We komen dus opnieuw een kritische noot tegen wat betreft het apologetisch project. Apologetiek is een verenging van het getuigenis van de kerk. Deze reductie tot het cognitieve, verstandelijke, wekt de indruk dat het bij geloven gaat om de beste argumenten. Je hebt dus slimme experts nodig in plaats van toegewijde discipelen. Maar wat erger is, mensen vinden de argumenten totaal niet overtuigend omdat ze het hoofd in plaats van het hart aanspreken: “Goed, God bestaat; best, Jezus stond op uit de dood. Maar nu gaan we weer lekker shoppen en genieten, want daar ligt ons hart”. Apologetiek gaat voorbij aan het hart terwijl het hart de locus is van transformatie.

Smith, die zich vooral druk maakt om een nieuwe generatie die het estafettestokje moet overnemen, stelt als oplossing voor dat we christelijke educatie inbedden in praxis (praktijk) en liturgie (rituele en symbolische gewoonten) om zo het hart te vormen. Zonder te proberen al te gemakkelijk de vergelijking met apologetiek door te trekken, kunnen we van ons apologetisch getuigenis op vergelijkbare wijze eisen dat die vanuit een praxis van naastenliefde en authentiek discipelschap gevoerd wordt door mensen die niet experts zijn maar leden van de plaatselijke kerkelijke gemeenschap met zijn eigen liturgie, gewoonten en symbolen. Getuigenis moet terug naar de daad van de ‘gewone’ man en vrouw ingebed in de sociale context van de levende plaatselijke geloofsgemeenschap.

Advertisements